Datief in het Duits

De datief in het Duits wordt gebruikt om het indirecte voorwerp van een zin aan te geven. Het indirecte voorwerp is de persoon of het ding dat profiteert van of beïnvloed wordt door de actie van het werkwoord. Het beantwoordt de vragen "voor wie?" of "voor wie?".

Wanneer gebruik je de datief

In deze situaties wordt de datiefvorm gebruikt:

  1. Het lijdend voorwerp van een zin weergeven
  2. Na bepaalde werkwoorden die de datiefvorm vereisen
  3. Na bepaalde voorzetsels die altijd de datiefvorm aannemen

Datiefval met indirecte objecten

De datief geeft aan aan wie of voor wie iets wordt gegeven, getoond of gedaan.

Voorbeeld:
Ich gebe dem Mann das Buch.
Vertaling: "Ik geef de man het boek."
Uitleg: Dem Mann is het indirecte voorwerp dat het boek ontvangt.

Voorbeeld:
Sie schenkt der Freundin Blumen.
Vertaling: "Ze geeft de vriend bloemen."
Uitleg: Der Freundin is het indirecte object dat de bloemen ontvangt.

Werkwoorden die de datief nodig hebben

Sommige werkwoorden in het Duits vereisen altijd de datief.

Veel voorkomende datieve werkwoorden zijn:

  • helfen (om te helpen)
  • danken (om te bedanken)
  • folgen (volgt)
  • gehören (erbij horen)
  • schmecken (naar smaak)

Voorbeeld:
Er hilft dem Kind.
Vertaling: "Hij helpt het kind."
Uitleg: Dem Kind staat in de datief omdat het werkwoord helfen vereist.

Voorbeeld:
Wir danken dem Lehrer.
Vertaling: "We bedanken de leraar."
Uitleg: Dem Lehrer staat in de datief na het werkwoord danken.

Voorzetsels die de Datiefval aannemen

Bepaalde voorzetsels in het Duits vereisen altijd de datief.

Veelvoorkomende voorzetsels zijn:

  • aus (uit, van)
  • bei (bij, dichtbij)
  • mit (met)
  • nach (na, tot)
  • seit (sinds, want)
  • von (van, van)
  • zu (aan, bij)

Voorbeeld:
Ich gehe mit dem Freund ins Kino.
Vertaling: "Ik ga naar de bioscoop met de vriend."
Uitleg: Mit vereist de datief, dus dem Freund wordt gebruikt.

Voorbeeld:
Sie kommt von der Schule.
Vertaling: "Ze komt van de school."
Uitleg: Von vereist de datief, dus der Schule wordt gebruikt.

Datief Geval Artikelen

De lidwoorden in de datief veranderen afhankelijk van het geslacht en het nummer van het zelfstandig naamwoord.

Geslacht Bepaald Artikel Onbepaald Artikel
Mannelijk dem einem
Vrouwelijk der einer
Onzijdig dem einem
Meervoud den (+ -n naar zelfstandig naamwoord) - (geen onbepaalde)

Voorbeeld:
Ich spreche mit dem Lehrer. - "Ik spreek met de leraar." (Mannelijk)
Sie hilft der Frau. - "Ze helpt de vrouw." (Vrouwelijk)
Wir spielen mit dem Kind. - "We spelen met het kind." (Onzijdig)
Er gibt den Kindern Geschenke. - "Hij geeft de kinderen geschenken." (Meervoud met -n als uitgang)

Datief voornaamwoorden

Persoonlijke voornaamwoorden veranderen ook in de datief.

Engels Nominatief Datief
I ich mir
U du dir
Hij er ihm
Ze sie ihr
Het es ihm
We wir uns
U (meervoud) ihr euch
Ze sie ihnen
U (formeel) Sie Ihnen

 

Voorbeeld:
Kannst du mir helfen? - "Kun je me helpen?"
Wir geben euch die Tickets. - "We geven jullie (meervoud) de kaartjes."

Veelvoorkomende zinnen met de datief

  • Mir ist kalt. - "Ik heb het koud."
  • Ihm gefällt das Buch. - "Hij vindt het boek leuk."
  • Ihr wird geholfen. - "Ze wordt geholpen."
  • Uns ist langweilig. - "We vervelen ons."

Deze zinnen laten zien hoe de datiefvorm werkt in alledaagse zinnen.

Oefeningen

Hier vind je oefeningen om het gebruik van de datief in het Duits te oefenen. De oplossingen staan in een aparte sectie na de oefeningen.


Oefening 1: Vul de lege plek in met het juiste artikel

Vul de lege vakjes in met het juiste lidwoord: dem, der, denof einem, einer.

  1. Ich helfe ___ Mann. (Ik help de man.)
  2. Wir danken ___ Frau. (We bedanken de vrouw.)
  3. Er spielt mit ___ Kind. (Hij speelt met het kind.)
  4. Sie gibt ___ Kindern ein Geschenk. (Ze geeft de kinderen een cadeautje.)
  5. Du sprichst mit ___ Lehrer. (Je spreekt met de leraar.)

Oefening 2: Kies het juiste datief voornaamwoord

Kies het juiste datief voornaamwoord om de zinnen af te maken.

  1. Kannst du ___ helfen? (Kunt u me helpen?)
  2. Wir geben ___ das Buch. (We geven hem het boek.)
  3. Er schreibt ___ einen Brief. (Hij schrijft haar een brief.)
  4. Ich zeige ___ den Weg. (Ik wijs jullie (meervoud) de weg.)
  5. Sie erzählt ___ eine Geschichte. (Ze vertelt ons een verhaal.)

Oefening 3: Het lijdend voorwerp identificeren

Identificeer het indirecte voorwerp in elke zin. Schrijf het indirecte objectwoord op.

  1. Der Lehrer gibt dem Schüler die Hausaufgaben. (De leraar geeft de leerling het huiswerk).
  2. Wir schicken der Freundin eine Einladung. (We sturen de vriend een uitnodiging.)
  3. Er erzählt den Kindern eine Geschichte. (Hij vertelt de kinderen een verhaal.)
  4. Ich bringe meiner Mutter Blumen. (Ik breng mijn moeder bloemen.)
  5. Sie zeigt dem Mann den Weg. (Ze wijst de man de weg.)

Oefening 4: Vertaal in het Duits (met behulp van de datief)

Vertaal de volgende zinnen in het Duits.

  1. Ik geef de vrouw een boek.
  2. Hij helpt het kind.
  3. We laten de man het huis zien.
  4. Ze sturen de kinderen cadeautjes.
  5. Ze schrijft haar vriendin een brief.

Oplossingen

Oplossing voor oefening 1: Vul het lege vakje in

  1. Ich helfe dem Mann. - "Ik help de man."
  2. Wir danken der Frau. - "We bedanken de vrouw."
  3. Er spielt mit dem Kind. - "Hij speelt met het kind."
  4. Sie gibt den Kindern ein Geschenk. - "Ze geeft de kinderen een cadeau."
  5. Du sprichst mit dem Lehrer. - "Je spreekt met de leraar."

Oplossing voor oefening 2: Kies het juiste datief voornaamwoord

  1. Kannst du mir helfen? - "Kun je me helpen?"
  2. Wir geben ihm das Buch. - "We geven hem het boek."
  3. Er schreibt ihr einen Brief. - "Hij schrijft haar een brief."
  4. Ich zeige euch den Weg. - "Ik wijs jullie (meervoud) de weg."
  5. Sie erzählt uns eine Geschichte. - "Ze vertelt ons een verhaal."

Oplossing voor oefening 3: Identificeer het lijdend voorwerp

  1. dem Schüler - "de student"
  2. der Freundin - "de vriend"
  3. den Kindern - "de kinderen"
  4. meiner Mutter - "mijn moeder"
  5. dem Mann - "de man"

Oplossing voor oefening 4: vertalen naar het Duits

  1. Ich gebe der Frau ein Buch.
  2. Er hilft dem Kind.
  3. Wir zeigen dem Mann das Haus.
  4. Sie schicken den Kindern Geschenke.
  5. Sie schreibt ihrer Freundin einen Brief.

Wat is de datief in het Nederlands?

De datief in het Nederlands wordt gebruikt om het indirecte object in een zin aan te geven. Het indirecte object is de persoon, het dier of het ding dat profiteert van de handeling of waaraan of waarvoor iets wordt gegeven of gedaan. Het beantwoordt de vragen “aan wie?”, “voor wie?”, “aan wat?” of “voor wat?” na het werkwoord.

Voorbeeld:
Zij gaf hem een cadeau.
Uitleg: Hem is het indirecte object dat het cadeau ontvangt.

Voorbeeld:
Ze stuurden hun vriend een brief.
Uitleg: Hun vriend is het indirecte object dat de brief krijgt.

In het Nederlands kan de datief op twee manieren worden uitgedrukt:

  1. Zonder voorzetsel (wanneer het indirecte object vóór het directe object staat)
    Voorbeeld:
    Ik vertelde haar het verhaal.Haar is het indirecte object.

  2. Met een voorzetsel (vaak aan of voor wanneer het indirecte object na het directe object staat)
    Voorbeeld:
    Ik vertelde het verhaal aan haar.Haar is het indirecte object.

Datieve voornaamwoorden in het Nederlands

Persoonlijke voornaamwoorden die als indirect object in de datief worden gebruikt, zijn:

  • mij
  • jou/je
  • hem
  • haar
  • ons
  • jullie
  • hen/hun

Voorbeeldzinnen:
Hij gaf mij een boek.Mij is het indirecte object.
We boden hen hulp aan.Hen is het indirecte object.

Zelfstandige naamwoorden veranderen niet van vorm in de datief, maar persoonlijke voornaamwoorden wel. Het begrijpen van de datief helpt je om te bepalen wie de ontvanger of begunstigde van de handeling in de zin is.