Het woord voor "vakantie" in het Frans is:
les vacances
Uitgesproken: [le va.kɑ̃s]
Het is een vrouwelijk meervoud zelfstandig naamwoordaltijd gebruikt in de meervoudsvorm zelfs als het om een enkele vakantie gaat.
Geslacht en artikel
-
les vacances - de vakantie(s)
-
des vacances - wat vakantietijd
-
en vacances - op vakantie
-
partir en vacances - op vakantie gaan
Voorbeeld:
Je suis en vacances cette semaine.
Ik ben deze week op vakantie.
Verwante woordenschat
-
un voyage - een reis
-
un séjour - een verblijf
-
un congé - vrije tijd (van het werk)
-
la plage - het strand
-
les vacances d’été - zomervakantie
-
les vacances d’hiver - winterstop
-
les grandes vacances - zomervakantie (schoolvakantie)
-
réserver - om te boeken
-
faire sa valise - om je koffer in te pakken
10 gebruiksvoorbeelden met vertalingen
-
On part en vacances demain.
We vertrekken morgen op vakantie. -
Les vacances scolaires commencent en juillet.
De schoolvakanties beginnen in juli. -
Tu as passé de bonnes vacances ?
Heb je een goede vakantie gehad? -
Je suis rentré de vacances hier.
Ik ben gisteren teruggekomen van vakantie. -
Ils vont en vacances à la montagne.
Ze gaan op vakantie in de bergen. -
Nous avons réservé nos vacances d’été.
We hebben onze zomervakantie geboekt. -
Pendant les vacances, je me repose.
Tijdens de vakantie rust ik. -
Elle rêve de vacances au bord de la mer.
Ze droomt van een vakantie aan zee. -
Il a pris deux semaines de vacances.
Hij nam twee weken vakantie. -
Les vacances sont faites pour se détendre.
Vakanties zijn gemaakt om te ontspannen.