Ça t'arrange ou ça t'arrangeert? - Wat is correct?

“Ça t'arrange?” of "ça t'arrange?"

Bij het schrijven in het Frans twijfelen veel mensen tussen deze twee vormen. Slechts één van deze vormen is correct. Hieronder vind je de uitleg.

Ça t’arrange (correct)

Ça t’arranges (onjuist)

De juiste vorm: ça t'arrange

De juiste zin is ça t'arrange. Het werkwoord arranger is in zijn vervoegde vorm en komt overeen met çaDat is het onderwerp van de zin.

Waarom?

  1. Ça (wat "het" of "dat" betekent) is het onderwerp van de zin.
  2. Het werkwoord arranger wordt vervoegd in de derde persoon enkelvoud: ça arrange.
  3. Het voornaamwoord te (die contracten afsluit met t’ voor een klinker) is het lijdend voorwerp.

Waarom is ça t'arranges onjuist?

De vorm t’arranges is de tweede persoon enkelvoud vervoeging van s’arranger. Echter, in ça t'arrangehet werkwoord arranger is niet reflexief. Het onderwerp ça kan niet worden gebruikt met t’arrangesdaarom ça t'arranges is grammaticaal onjuist.

Voorbeeldzinnen

Hier zijn enkele voorbeeldzinnen waarin de juiste vorm wordt gebruikt:

  • Ça t'arrange si on change l’horaire du rendez-vous ?
  • Dis-moi quel jour ça t'arrange le mieux.
  • Si ça t'arrange, je peux venir te chercher en voiture.
  • On peut faire ça demain si ça t'arrange.
  • Je peux m’occuper de ce dossier si ça t'arrange.
  • Ça t'arrange qu'on reporte la réunion à la semaine prochaine ?
  • Si ça t'arrange, je peux payer maintenant et tu me rembourses plus tard.
  • On peut dîner plus tôt ce soir si ça t'arrange.

Elk van deze voorbeelden volgt de juiste structuur: ça als onderwerp, t’ als indirect lijdend voorwerp, en arrange in de derde persoon enkelvoud.

Voorbeelden in context

Hier zijn enkele korte voorbeeldteksten met ça t'arrange in context:


1. Gesprek over het plannen van een vergadering
– Je peux te voir demain à 14h. Ça t'arrange ?
– Oui, c'est parfait. À demain alors !


2. Een reservering voor een diner wijzigen
Le restaurant a appelé. Ils proposent de décaler notre réservation à 20h au lieu de 19h. Ça t'arrange of wilt u liever de oorspronkelijke tijd bewaren?


3. Hulp aanbieden op het werk
Je peux m'occuper du rapport et te l'envoyer avant la réunion. Ça t'arrange ?


4. Huishoudelijke taken bespreken
Je vais faire les courses cet après-midi. Ça t'arrange si je prends aussi du pain et du lait ?


5. Een reis organiseren
On peut partir plus tôt samedi matin pour éviter les bouchons. Ça t'arrange of wilt u liever meer tijd?


6. Plannen met een vriend wijzigen
Finalement, je suis dispo pour aller au cinéma ce soir au lieu de demain. Ça t'arrange of wilt u liever ons oorspronkelijke plan behouden?