Franse woordenschat voor examens

De Franse woordenschat kan een uitdaging zijn, vooral als je je voorbereidt op examens. Hier zullen we kijken naar essentiële Franse woordenschatcategorieën om je te helpen slagen.

 

Gewone werkwoorden

Het begrijpen van veelvoorkomende werkwoorden is cruciaal. Hier zijn enkele essentiële werkwoorden die je moet kennen:

  • être (wordt)
  • avoir (om te hebben)
  • aller (om te gaan)
  • faire (doen)
  • dire (om te zeggen)
  • pouvoir (om te kunnen)
  • voir (om te zien)
  • savoir (weten)
  • venir (komt nog)
  • vouloir (willen)

 

Nuttige bijvoeglijke naamwoorden

Bijvoeglijke naamwoorden zijn de sleutel tot het beschrijven van zelfstandige naamwoorden. Maak jezelf vertrouwd met deze veelvoorkomende bijvoeglijke naamwoorden:

  • bon(ne) (goed)
  • mauvais(e) (slecht)
  • grand(e) (groot)
  • petit(e) (klein)
  • vieux/vieille (oud)
  • jeune (jong)
  • beau/belle (mooi)
  • nouveau/nouvelle (nieuw)
  • long(ue) (lang)
  • court(e) (kort)

 

Essentiële zelfstandige naamwoorden

Het kennen van essentiële zelfstandige naamwoorden kan je helpen bij het navigeren door veel onderwerpen. Hier zijn enkele belangrijke zelfstandige naamwoorden:

  • le temps (tijd)
  • la personne (persoon)
  • l’année (jaar)
  • la journée (dag)
  • la maison (huis)
  • l’école (school)
  • la ville (stad)
  • le pays (land)
  • le livre (boek)
  • l’enfant (kind)

 

Belangrijke voorzetsels

Voorzetsels zijn belangrijk voor het vormen van zinnen. Leer deze veelvoorkomende voorzetsels:

  • à (aan, bij)
  • de (van, van)
  • en (in, door)
  • avec (met)
  • sans (zonder)
  • sous (onder)
  • sur (op)
  • devant (voor)
  • derrière (achter)
  • entre (tussen)

 

Algemene zinnen

Het onthouden van veelvoorkomende zinnen kan je spreekvaardigheid aanzienlijk verbeteren. Hier zijn enkele zinnen om te oefenen:

  • Comment ça va? (Hoe gaat het met je?)
  • Merci beaucoup (Hartelijk dank)
  • Excusez-moi (Neem me niet kwalijk)
  • Je ne comprends pas (Ik begrijp het niet)
  • Pouvez-vous répéter? (Kunt u dit herhalen?)
  • Où est…? (Waar is...?)
  • Quel âge as-tu? (Hoe oud ben je?)
  • J’ai besoin de… (Ik moet...)
  • Combien ça coûte? (Hoeveel kost het?)
  • À bientôt (Tot ziens)

 

Woordenschat voor aanwijzingen

Het begrijpen van richtingen is nuttig in veel situaties. Hier zijn de belangrijkste termen:

  • à gauche (naar links)
  • à droite (naar rechts)
  • tout droit (rechtdoor)
  • près de (bijna)
  • loin de (ver van)
  • au coin de (op de hoek van)
  • en face de (voor)
  • à côté de (naast)
  • devant (voor)
  • derrière (achter)

 

Woordenschat voor tijd

Over tijd kunnen praten is essentieel. Leer deze tijdgerelateerde woorden:

  • aujourd’hui (vandaag)
  • demain (morgen)
  • hier (gisteren)
  • matin (ochtend)
  • après-midi (middag)
  • soir (avond)
  • nuit (nacht)
  • semaine (week)
  • mois (maand)
  • année (jaar)

Deze categorieën behandelen essentiële woordenschat voor examens. Oefen regelmatig om je zelfvertrouwen en vaardigheid in het Frans op te bouwen.

 

Oefeningen met Franse woordenschat voor examens

Hier vind je een aantal oefeningen om je Franse woordenschat te oefenen en te versterken. Elke oefening wordt gevolgd door de antwoorden voor zelfbeoordeling.


Oefening 1: Vertaal de werkwoorden

Vertaal de volgende werkwoorden in het Frans.

  1. Worden
  2. Om
  3. Gaan
  4. Om te doen
  5. Om te zeggen
  6. In staat zijn om
  7. Zien
  8. Weten
  9. Komen
  10. Willen
Antwoorden:

  1. être
  2. avoir
  3. aller
  4. faire
  5. dire
  6. pouvoir
  7. voir
  8. savoir
  9. venir
  10. vouloir

Oefening 2: Zoek de bijvoeglijke naamwoorden bij elkaar

Koppel de Franse bijvoeglijke naamwoorden aan hun Engelse equivalenten.

  1. bon(ne)
  2. mauvais(e)
  3. grand(e)
  4. petit(e)
  5. vieux/vieille
  6. jeune
  7. beau/belle
  8. nouveau/nouvelle
  9. long(ue)
  10. court(e)

a. jong
b. lang
c. kort
d. groot
e. mooi
f. nieuw
g. slecht
h. klein
i. oud
j. goed

Antwoorden:

  1. j
  2. g
  3. d
  4. h
  5. i
  6. a
  7. e
  8. f
  9. b
  10. c

Oefening 3: Vul de lege plekken op met zelfstandige naamwoorden

Vul de lege vakjes in met de juiste Franse zelfstandige naamwoorden uit de onderstaande lijst.

(le temps, la personne, l’année, la journée, la maison, l’école, la ville, le pays, le livre, l’enfant)

  1. J’aime lire un _____ chaque soir.
  2. Mon _____ préféré est la France.
  3. Il fait beau _____ aujourd’hui.
  4. Cette _____ est très jolie.
  5. Nous allons à _____ demain.
  6. Il a passé toute la _____ à étudier.
  7. Elle habite dans une grande _____.
  8. Paris est une _____ célèbre.
  9. _____ va à l'école tous les jours.
  10. C’est une _____ gentille.
Antwoorden:

  1. livre
  2. pays
  3. temps
  4. année
  5. l’école
  6. journée
  7. maison
  8. ville
  9. L’enfant
  10. personne

Oefening 4: Vertaal de zinnen

Vertaal de volgende zinnen in het Engels.

  1. Comment ça va?
  2. Merci beaucoup
  3. Excusez-moi
  4. Je ne comprends pas
  5. Pouvez-vous répéter?
  6. Où est…?
  7. Quel âge as-tu?
  8. J’ai besoin de…
  9. Combien ça coûte?
  10. À bientôt
Antwoorden:

  1. Hoe gaat het met je?
  2. Hartelijk dank
  3. Neem me niet kwalijk
  4. Ik begrijp het niet
  5. Kun je het herhalen?
  6. Waar is...?
  7. Hoe oud ben je?
  8. Ik moet...
  9. Hoeveel kost het?
  10. Tot ziens

Oefening 5: Richting Woordenschat

Kies de juiste Franse term voor de gegeven Engelse richting.

  1. Naar links

    • a) à droite
    • b) à gauche
    • c) tout droit
  2. Rechtdoor

    • a) en face de
    • b) tout droit
    • c) à côté de
  3. In de buurt van

    • a) loin de
    • b) au coin de
    • c) près de
  4. Achter

    • a) derrière
    • b) devant
    • c) à droite
  5. Naast

    • a) près de
    • b) en face de
    • c) à côté de
Antwoorden:

  1. b) à gauche
  2. b) tout droit
  3. c) près de
  4. a) derrière
  5. c) à côté de

Oefening 6: Tijd Woordenschat

Koppel de Franse tijdgerelateerde woorden aan hun Engelse equivalenten.

  1. aujourd’hui
  2. demain
  3. hier
  4. matin
  5. après-midi
  6. soir
  7. nuit
  8. semaine
  9. mois
  10. année

a. maand
b. 's avonds
c. ochtend
d. nacht
e. vandaag
f. morgen
g. gisteren
h. middag
i. week
j. jaar

Antwoorden:

  1. e
  2. f
  3. g
  4. c
  5. h
  6. b
  7. d
  8. i
  9. a
  10. j